 |
|
 |
Acute postrenale nierinsufficiëntie
Oorzaken:
-
Supravesicale
obstructie: stenen, papilnecrose (analgetica-nefropathie, alcohol-abusus,
diabetes mellitus), retroperitoneale fibrose, retroperitoneale tumoren of
uretertumoren (bilaterale obstructie of unilateraal bij één functionerende
nier).
-
Infravesicale
obstructie: prostaathypertrofie/carcinoom, urethrastrictuur,
cervixcarcinoom, neurogene blaasledigingsstoornissen.
Anamnese:
Gericht
op oorzaken.
Lichamelijk onderzoek:
Volle
blaas, rectaal toucher en vaginaal toucher.
Laboratoriumonderzoek:
-
Urine:
dikwijls geen bijzonderheden, FENA. < 1%, hematurie met stolsels wijst altijd
op een postrenale oorzaak.
-
Bloed: bij
zeer geleidelijk ontstaan (bijvoorbeeld ten gevolge van prostaathypertrofie)
kan het ureum zeer sterk verhoogd zijn, bij relatief weinig klachten.
Verder onderzoek:
Echo
nieren: lokalisatie obstructie, (soms) aard van de obstructie, mate van
dilatatie (bij een acute obstructie kan het 24 tot 48 uur duren totdat een
aantoonbare dilatatie ontstaat).
Beleid/therapie:
-
Infravesicaal: blaaskatheter.
-
Supravesicaal: consult urologie i.v.m. verdere
diagnostiek en retrograde of antegrade drainage. Acute drainage is noodzakelijk
bij hydronefrose met koorts of hydronefrose bij mononier (vermijden noodzaak
dialyse).
-
Cave postobstructieve polyurie met neiging tot
hypokaliëmie.
index nefrologie
|  |