Reanimatie
Shock
Acute Dyspnoe
Bewustzijndaling
Acute pijn op de borst
Acute buikpijn
Cardiologie
Vasculaire calamiteiten
Bloedingen
Longziekten
Gastroenterologie
Hematologie
Endocrinologie
Nefrologie
Electrolystoornissen
Zuurbase-stoornissen
Intoxicaties
Bacteriele infecties
Tropengeneeskunde
AIDS
Neurologie
Diversen

Ketoacidotische ontregeling/coma

Definitie:

Hyperglykemie (hoeft niet extreem te zijn) plus metabole acidose met verhoogde aniongap door de aanwezigheid van ketonlichamen.

(Hetero)anamnese:

Gericht op luxerend moment, b.v. infectie (20-50%), onvoldoende insulinegebruik/non-compliance (20-40%), cardiovasculaire pathologie (5-10%), corticosteroïden, vitamine B1-deficiëntie, (thiazide)diuretica.

Lichamelijk onderzoek:

Vitale parameters, Kussmaulse ademhaling?, tekenen van uitdroging?, acetongeur?, koorts? (kan afwezig zijn door dehydratie/ondercirculatie), infectiebron?, meningeale prikkeling?, neurologische uitvalsverschijnselen?, maagdilatatie?, blaasretentie?

Laboratoriumonderzoek:

  • Bloed: Na, K, creatinine, ureum, Cl, Ca, fosfaat, albumine, glucose, BSE, Hb, leucocyten + differentiatie (P.M. acidose kan op zichzelf leucocytose en linksverschuiving geven). Bloedgasanalyse. Bereken aniongap en de osmolariteit.
  • Op indicatie extra lab: osmolaliteit, lactaat, magnesium (zie verder), CK-MB, eventueel bloedkweken.
  • Urine: glucose, ketonen (de dipstick toont alleen aceton en acetoacetaat aan, geen ß-hydroxyboterzuur), eiwit, sediment. Z.n. urinekweek.

Verder onderzoek:

ECG: hartritmestoornissen?, verlengde QT-tijd? (denk aan hypomagnesiëmie), infarct?

Beleid/therapie:

A.    Vocht
  • Streven naar 6 liter in eerste 24 uur (infuussnelheid z.n. aanpassen op geleide van cumulatieve vochtbalans en eventuele tekenen van decompensatie), start met 0,9% NaCl, volgens schema: 4 kolven à ½ uur; dan 2 à 1 uur; dan 2 à 1½  uur; dan 2 à 2 uur; daarna à 4 uur/kolf.
  • nota bene: bij sterke dehydratie/acidose doch milde hyperglycemie (vooral bij diabeten met intensief insuline schema) tijdig NaCl vervangen door glucose 5% (evt. 0.45% NaCl en 2.5% glucose als overgang)
  • Bij (te) snelle daling van het glucose: infuus ook vervangen door b.v. glucose 2,5%/NaCl 0,45%
  • Bij glucose < 15 mmol/L over op glucose 5% (insulinedosering aanpassen).
  • Bij plasma Na>155 mmol/L: 0,9% NaCl vervangen door 0,65% NaCl (of glucose 2,5%/NaCl 0,45%).
  • Bij RR syst < 80 mmHg: plasmavervangmiddel bijgeven (bevat veelal ook NaCl)
B.    Insuline
  • Maak oplossing van 1 ml snelwerkende insuline (= 100 E Actrapid® of Velosulin®) in 99 ml 0,9% NaCl; vul 50 ml spuit en infuuslijn met deze oplossing; het geheel leegspuiten in een wasbak (insuline plakt aan plastic); vul opnieuw spuit met 50 ml: deze spuit gebruiken; geef 10 ml (= 10 E) bolus direct i.v. en start dan de pomp op 5E (= 5 ml)/uur.
  • Indien bij volgende bloedcontrole geen daling van bloedglucose, geen dalende aniongap of niet-stijgende pH: bolus herhalen en insulinedosis verdubbelen.
  • De bloedsuiker moet geleidelijk (d.w.z. niet binnen 24 uur) worden genormaliseerd. Z.n. pompstand verlagen als de daling te snel gaat.
  • De continue infusie van insuline mag pas worden gestaakt als de aniongap normaal is !
C.    Kalium
  • Kalium suppleren volgens schema

Serum kalium (mmol/L)

hoeveelheid te suppleren kalium (mmol/uur)

 

bij pH < 7,1

bij pH > 7,1

< 3,0

30

20

3,0 - 3,9

20

15

4,0 - 4,9

15

10

5,0 - 5,9

10

5

> 5,9

0

0

D.   Bicarbonaat
(Cave hypokaliëmie, verslechterende Hb-dissociatie curve en paradoxe daling pH liquor).

  • Bij pH < 7,1: 50 mmol NaHCO3 (= 50 ml 8,4% NaHCO3) à 60 minuten.
  • Bij pH < 7,0: 100 mmol NaHCO3 (= 100 ml 8,4% NaHCO3) à 60 minuten i.v. (extra pH- en kaliumcontrole ½  uur na toediening).
    N.B.: bicarbonaat niet in dezelfde lijn als insuline → de hoge pH geeft inactivatie van de insuline.
E. Fosfaat
  • Geen suppletie bij plasmafosfaat > 0,35 mmol/L.
  • Bij plasmafosfaat < 0,35 mmol/L: 50-100 mmol fosfaat à 8 uur i.v.;
  • N.B.: de apotheek levert Na/K/fosfaat-ampullen met per ml 1,5 mmol fosfaat (en per ml 0,5 mmol Na en 1,25 mmol K): de juiste hoeveelheid kan worden toegevoegd aan het infuus (cave: kalium; de hoeveelheid natrium is verwaarloosbaar).
F. Magnesium
  • Bepaal magnesium bij ademhalingsdepressie e.c.i., refractaire hypokaliëmie, hartritmestoornissen of verlengde QT-tijd op ECG, insulineresistentie.
  • Suppleer bij Mg < 0,6 mmol/L: 20-40 mmol MgSO4 à 8 uur i.v. (MgSO4 ampullen van 10% bevatten 0.4 mmol/ml en ampullen van 20%  bevatten 0.8 mmol/ml)
G. Controles en algemene maatregelen
  • Controle circulatie à 1 uur, temperatuur à 3 uur.
  • Vochtbalans/cumulatieve balans à 3 uur.
  • Bloedcontrole na 1 uur en vervolgens elke 3 uur: bloedgassen (na enige uren en stabiel evt. alleen veneus bicarbonaat), glucose, Na, K, Cl; Ca en Mg (bij ritmestoornissen); creatinine, ureum (indien verhoogd). Vervolg aniongap en osmolariteit.
  • Niets per os, zo nodig maagsonde.
  • Blaaskatheter (in ieder geval bij retentie en bewustzijnsdaling).
  • Behandel luxerende factor.
  • Zo nodig zuurstof, ritmebewaking.
  • Bij comateuze patiënt comascore vervolgen; wisselligging ter voorkoming van decubitus.
  • Thromboseprofylaxe !!
  • Over op ‘eigen’ insulineschema na normalisatie van de aniongap.
referenties
Lebovitz HE. Diabetic ketoacidosis. Lancet 1995;345:767.
Foster DW, et al. The metabolic derangement and treatment of diabetic ketoacidosis. N Engl J Med 1983;309:159.

voorbeeld registratieblad keto-acidose/hyperosmolaire ontregeling  

index endocrinologie